Graspieper

De graspieper (18 g) broedt op de grond, tussen het gras, en niet of nauwelijks in kruipwilg- of dauwbraamstruweel zoals roodborsttapuiten. Ze maken twee tot drie nesten per jaar en leggen ongeveer vier eieren per nest, bijna twee minder dan roodborsttapuiten. Een belangrijk ecologisch verschil met de roodborsttapuit en de tapuit is dat graspiepers hun prooien alleen oppikken: nooit graven ze insectenlarven op uit de bodem, zoals beide tapuitensoorten wel doen. Hierdoor is het dieet van nestjongen ook anders; zij krijgen veel langpootmuggen, vliegen en rupsen aangevoerd, maar weinig keverlarven zoals jonge roodborsttapuiten en tapuiten. In de kustduinen hebben graspiepers tegenwoordig een grofweg stabiele populatie met lokale fluctuaties.

Graspieper (Jos Zwarts)