Hoe kan het toch dat roodborsttapuiten tamelijk algemeen zijn geworden in het agrarisch gebied, terwijl veel andere soorten daar sterk achteruitgaan? Dat wilde ik wel eens weten!
Ik bestudeerde al enkele jaren een populatie op de Veluwse heidevelden, dus die kon mooi als vergelijking dienen. Ook in het agrarisch gebied tussen Wageningen en Achterberg zijn deze mooie vogels verre van zeldzaam: in maart en april zingen de mannen vanaf paaltjes en uit de toppen van knotwilgen. Hun nesten heb ik hier niet gezocht, maar vanaf de openbare wegen was goed te zien waar de nesten moesten zitten. Op deze manier kon ik nauwkeurig in de gaten houden of er jongen in het nest waren en of de jongen succesvol het nest verlieten.
En wat bleek? Er vlogen in 2023-2025 gemiddeld maar weinig jongen uit in het Binnenveld, slechts 3,5 per paartje per jaar -op de hei 8,6 jongen. Hiermee is de aanwas in het Binnenveld regelmatig te laag om de populatie op eigen benen te doen staan, terwijl op de hei meer jongen worden ’geproduceerd’ dan nodig. Waar dit surplus aan jongen zich vestigt weet ik niet -misschien wel in het agrarisch gebied. Mogelijk komt deze soort dus voor een deel voor in het agrarisch gebied doordat het surplus aan jongen uit natuurgebieden zich daar vestigt.
Roodborsttapuiten kunnen zich snel vestigen wanneer greppels en slootkanten niet glad gemaaid worden en afrasteringen blijven staan. Dat zou toch te organiseren moeten zijn, zeker voor zo’n mooie vogel!
Het hele verhaal is net gepubliceerd in het tijdschrift Limosa en je kunt op het hier lezen.
Het agrarisch onderzoek is deels gefinancierd door Vogelbescherming Nederland en het heidewerk door Provincie Gelderland.









